onderwijs
'Gelijke onderwijskansen zijn geen fabeltje'
Onderwijsminister Pascal Smet begint aan zijn tweede schooljaar, en hij heeft meteen veel vragen. Zoals: waarom groeit het aantal jongeren zonder diploma? Waarom haken jonge leerkrachten af? 'En trouwens, waarom zou het katholiek onderwijs eigenaar moeten blijven van zijn gebouwen?' Het wordt een rumoerige eerste september.
Meer dan 1,1 miljoen leerlingen en 115.000 leerkrachten in Vlaanderen zoeken op 1 september hun boekentas in de hoek waar ze ze op 30 juni achteloos hadden gezwierd. Vlaams minister van Onderwijs Pascal Smet (sp.a) begint die dag aan zijn tweede schooljaar. Van februari tot juni, vorig schooljaar, maakte hij zijn huiswerk: hij hield ontmoetingsbijeenkomsten met ouders, leerlingen, leerkrachten, schooldirecties en -bestuurders. Allemaal onder het motto 'Zeg het hem zelf'. En ze hébben het hem eens goed gezegd.
Pascal Smet: 'Van de ouders heb ik vooral de vraag naar zorg onthouden: zorg voor leerlingen met beperkingen en leerstoornissen, maar ook zorg voor sterke leerlingen. Dat bevestigt een belangrijk punt in mijn beleidsnota. In de voorbije jaren is terecht veel aandacht gegaan naar zwakkere leerlingen, maar zo is de indruk gewekt dat de lat lager zou worden gelegd. Dat is uiteraard niet de bedoeling van goed onderwijs.
'Van de leerlingen is me voornamelijk bijgebleven dat ze de school saai vinden. Dat gaat in tegen de natuur van kinderen. Die zijn nieuwsgierig en willen ontdekken. De school moet hun talenten prikkelen, maar ook de ruimte laten om te falen.
'En de leerkrachten en de schooldirecties, die blijven worstelen met de zogenaamde planlast: te veel initiatieven op papier die dode letter blijven en te veel formulieren die moeten worden ingevuld. Op die manier verzamelt de onderwijsadministratie massa's gegevens, maar er gebeurt te weinig mee. Dat databeheer moet doelmatiger worden via een interactief kenniscentrum voor scholen en leerkrachten. Die hebben ook meer ondersteuning nodig, zodat ze niet telkens het warm water moeten uitvinden.'
Toen u in juli 2009 de plaats innam van uw partijgenoot Frank Vandenbroucke was er veel voorbehoud. Hebt u dat kunnen wegnemen?
Pascal Smet: Elke nieuwe minister krijgt daarmee te maken. Toch ben ik de confrontatie tijdens de ontmoetingsbijeenkomsten heel bewust alleen aangegaan. Na die eerste contacten op het terrein en ook met ambtenaren en vertegenwoordigers van de onderwijskoepels en vakbonden hebben veel mensen me gezegd dat ze aangenaam verrast waren.
U moest ook meteen een besparing van 72 miljoen euro in 2010 en 142 miljoen in 2011 aankondigen. Dat het meeste wordt bezuinigd op werkingsmiddelen zorgt voor zure oprispingen over het maximumbedrag dat basisscholen aan ouders mogen vragen voor een uitstap of zwemles.
Smet: Ik heb er nauwlettend op toegezien dat de ouders niet voor de besparingen opdraaien, en dat ze worden doorgevoerd op de structuren boven de klassen en niet in de klassen.
De maximumfactuur (20 euro per schooljaar voor een kleuter en 60 euro voor een leerling in het lager onderwijs, nvdr.) is een ander verhaal. Het debat daarover is niet altijd eerlijk verlopen. Bij de invoering ervan in het schooljaar 2008-2009 heeft mijn voorganger de werkingsmiddelen voor het basis- en secundair onderwijs in één klap met 125 miljoen verhoogd om alle kinderen gelijk te financieren. Daarover heeft niemand geklaagd. Maar sommige scholen hebben dat moment ook aangegrepen om hun activiteitenbeleid te veranderen, en hebben de schuld daarvoor onterecht bij de minister gelegd.
Voor scholen in landelijke gemeenten wegen de kosten van het leerlingenvervoer naar een culturele activiteit of het zwembad in de stad inderdaad zwaar. Daar zal binnenkort bij een evaluatie rekening mee worden gehouden. Maar aan het principe van de maximumfactuur wil ik niet tornen.
In maart was er veel te doen om een nakend capaciteitstekort in het basisonderwijs, vooral in Antwerpen en Brussel. Maar u zei zonder verpinken dat op 1 september elk kind een plaats op school zou hebben.
Smet: Oud-minister van Onderwijs Luc Van den Bossche (sp.a) vond dat overmoedig, maar ik heb al die commotie over mijn toezegging nooit begrepen. Als Vlaanderen niet voor alle kinderen een plaats op school kan waarborgen, zijn we als samenleving failliet. Alle berichten wijzen erop dat we geslaagd zijn. Antwerpen telt meer dan 1800 bijkomende plaatsen, Brussel ongeveer 300. Ik heb 12 miljoen euro extra kunnen vrijmaken, en mijn ambtenaren hebben een tand bijgestoken. Voor Antwerpen is er heel goed samengewerkt met de stad en alle scholen. Voor Gent, Vilvoorde, Halle en zelfs voor de aparte situatie van het onderwijs in Brussel is dat ook gelukt.
Maar kunnen alle ouders hun kinderen ook naar de school van hun keuze sturen?
Smet: Als 1000 kinderen naar een school met 350 plaatsen willen, ziet iederéén dat er een capaciteitsprobleem is. Ik heb dan ook nooit gegarandeerd dat elk kind op 1 september een school van eigen keuze op een steenworp van thuis zou hebben. Een school moet wel op redelijke afstand liggen. Ons systeem kent op dat vlak trouwens veel comfort. Vergelijk dat eens met het zo geroemde onderwijs in Finland. Daar regelen de gemeenten welk kind naar welke school gaat.
Een stijgend geboortecijfer maakt van dat capaciteitsprobleem een structureel probleem. Eind 2010 telt Vlaanderen 200.000 kleuters jonger dan drie jaar.
Smet: Met dat vooruitzicht hebben we voor dit schooljaar een aantal maatregelen genomen. In een dichtbevolkte stad of gemeente mogen scholen van hetzelfde net voortaan ook uitbreiden als ze op minder dan twee kilometer van een andere school liggen. En lagere scholen in gemeenten met een sterke bevolkingsgroei krijgen meer lesuren als bij een hertelling op 1 oktober blijkt dat er nog minstens twaalf leerlingen zijn bijgekomen.
We hebben ons trouwens niet alleen op Antwerpen en Brussel toegelegd. Op basis van een inventaris van geweigerde inschrijvingen bij de scholen van 24 Vlaamse steden en gemeenten hebben we gepolst naar mogelijke capaciteitsproblemen in het schooljaar 2011-2012. In de onderwijsbegroting van volgend jaar zal ik daarvoor middelen uittrekken. Ook netoverschrijdende masterplannen voor de grote steden kunnen een en ander helpen stroomlijnen. Nu moeten scholen eerst x-aantal leerlingen hebben om te kunnen bouwen. In het kader van een masterplan kunnen ze ook inspelen op toekomstige noden, omdat er in de buurt bijvoorbeeld een nieuwe wijk voor jonge gezinnen wordt ontwikkeld.
In juni hebt u eindelijk een handtekening kunnen zetten onder een overeenkomst om met Fortis Real State en BNP Paribas Fortis Bank een 200-tal scholenbouwprojecten voor een waarde van 1,5 miljard te realiseren. Die inhaaloperatie was al in 2005 aangekondigd. Waarom heeft dat zo lang geduurd?
Smet: Het ongeduld van de scholen die al die tijd in de wachtkamer hebben gezeten, is begrijpelijk. Maar er is de bankencrisis geweest, en de keuze voor een globaal investeringsopzet met de privésector heeft het dossier complex gemaakt. Het hele proces wordt nu geëvalueerd met het oog op een tweede soortgelijke operatie. Die is afgesproken in het Vlaamse regeerakkoord en zal hard nodig zijn.
De wachtlijsten voor de scholenbouw worden inderdaad almaar langer. Voor het vrij onderwijs alleen al zou er ruim 2,5 miljard euro geïnvesteerd moeten worden.
Smet: De wachtlijsten zijn een product van 40 jaar desinvesteren. Dat werk je niet in een handomdraai weg. Ze groeien ook exponentieel omdat veel scholen proactief een bouwdossier indienen om over acht tot tien jaar zeker aan de beurt te komen. Om die termijn korter te maken, zal ik buiten de gewone onderwijsbegroting extra middelen zoeken. Dat kan gaan over een tweede en mogelijk een derde samenwerkingsverband met de privésector, een Vlaamse volkslening of een deel van het geld dat de Vlaamse regering in KBC gepompt heeft en dat na 2012 terugkeert. En daarbij zal trouwens ook de eigendom van de schoolgebouwen ter sprake komen.
Wat bedoelt u daarmee?
Smet: In het vrij onderwijs verdwijnen klassieke sponsors zoals de religieuze orden, en zijn er problemen om de schoolgebouwen te financieren. Als de overheid dan met belastinggeld een nog groter deel dan nu bekostigt, klopt er iets niet als de betrokken schoolbesturen toch eigenaar van de gebouwen blijven en ze zelfs kunnen verkopen.
Ik wil niet raken aan de vrijheid van onderwijs en het pedagogisch project van katholieke scholen. Maar we kunnen creatiever met eigendomsrechten, erfpachtregelingen enzovoort omgaan. In Nederland, bijvoorbeeld, stelt de overheid gebouwen ter beschikking van de verschillende onderwijsverstrekkers. Of het die richting moet uitgaan, laat ik in het midden. Het is een mogelijkheid.
Het katholiek onderwijs zal uw voorstel met open armen ontvangen.
Smet: Dit debat kan gewoonweg niet ontweken worden. Het moet op een rustige en genuanceerde manier worden gevoerd binnen de tijd die ervoor nodig is.
Vanaf dit schooljaar ondertekenen ouders een engagementsverklaring over onder meer het oudercontact, de aanwezigheid van hun kinderen, leerlingbegeleiding en respect voor het Nederlands op school. In theorie moet dat de betrokkenheid van ouders vergroten, maar zal het in de praktijk niet vooral een papieren afspraak zijn?
Smet: Dan is de meerwaarde nihil. Het kan pas werken als scholen en ouders echt bij elkaar betrokken willen zijn. Een zwak punt is dat aan die verklaring geen sanctie verbonden is. Ik besef ook dat ze niet alle problemen oplost. Zo slagen we er nog altijd niet in om met ouders uit de migratie en uit andere kansarme groepen op zo'n manier te spreken dat ze de werking van scholen begrijpen en dat ze weten wat van hen verwacht wordt. Tegelijk ben ik het ermee eens dat leerkrachten geen welzijnswerkers zijn. Ze moeten op de eerste plaats kennis overdragen en de vaardigheden van leerlingen versterken. Maar ten gronde is dit wel een zaak van inburgering en integratie. Daarom reken ik bijvoorbeeld ook op de zelforganisaties en de gemeentebesturen om een rol te spelen.
Uw voornemen om taaltoetsen in te voeren voor 6- en 12-jarigen en nu ook voor kleuters die voor het eerst naar de lagere school gaan, valt niet in goede aarde.
Smet: Voor die kleuters - naar schatting 1400 - voer ik een decreet van mijn voorganger uit. Als ze in het voorbije schooljaar 220 halve dagen naar de kleuterschool zijn geweest, is er geen probleem. Hebben ze dat niet gedaan, dan is er een eenvoudige en gestandaardiseerde taaltoets, afgenomen door een Centrum voor Leerlingen Begeleiding of door de lagere school zelf.
Daarnaast zal niemand tegenspreken dat het Nederlands als gemeenschappelijke taal hét middel is om te leren en te integreren. Daarom plan ik op twee cruciale momenten in de schoolloopbaan - bij overgang naar het lager en naar het secundair onderwijs - een diagnosetoets van de taalkennis en -vaardigheid. Niet om te bestraffen,w maar om bij te sturen als dat nodig is. Het katholiek onderwijs is het eens met dat principe, maar was aanvankelijk bang voor een algemeen taalexamen door de overheid. Dat is niet mijn bedoeling. Ze mogen die toets zelf organiseren, zolang de functie ervan maar overeind blijft.
Voor het secundair onderwijs worden de overgang vanuit het lager onderwijs en de doorstroming naar hogere graden versoepeld. Ook kunnen klassenraden aan leerlingen die een jaar overzitten vrijstellingen geven voor bepaalde vakken. Verdwijnt zo het samen leren niet?
Smet: Ik wil niet evolueren naar een veralgemening van individuele leertrajecten in het secundair onderwijs. Kinderen moeten samen leren. Maar als een leerling een jaar overzit en intussen bepaalde leerstof onder de knie heeft, is het niet zinvol om die nog eens in het programma op te nemen. De tijd die zo vrijkomt, kan dienen om problemen met een specifiek vak aan te pakken of om een nieuw leerthema te verkennen. Zie het als een voorafname op de hervorming van het secundair onderwijs waarvoor ik eind deze maand een conceptnota klaar heb.
Die nota zal voortborduren op het rapport-Monard, dat een uitstel van de studiekeuze tot 14 jaar bepleit en de opdeling tussen algemeen, technisch, kunst- en beroepssecundair onderwijs wil opheffen. Neemt u die suggesties over?
Smet: Het secundair onderwijs moet resoluut de richting inslaan van gedifferentieerd leren. Vertrekkend van een gemeenschappelijk basispakket zal dan voor sommige leerlingen meer nadruk liggen op het remediëren en voor andere jongeren zal voorrang worden gegeven aan het verdiepen van de leerstof.
Het rapport-Monard dateert van januari 2009, terwijl u pas in 2014 met een nieuw decreet over het secundair onderwijs klaar wilt zijn.
Smet: Iedereen heeft me gevraagd om niet overhaast te werk te gaan, want zo'n hervorming heeft verstrekkende gevolgen: voor het landschap van het secundair onderwijs, voor ouders en leerlingen, voor de opleiding en het statuut van de leerkrachten enzovoort. Maar we hoeven ook niet eindeloos te praten. In de komende maanden moet er eensgezindheid groeien over de contouren van de hervorming. Bovendien moet niet gewacht worden tot 2014 om voor sommige kritieke punten maatregelen te nemen. Ik denk aan de opvallende stijging van het aantal gekleurde kinderen dat naar het buitengewoon onderwijs wordt verwezen.
In verband met dat buitengewoon onderwijs is Frank Vandenbroucke gestruikeld over het verzet tegen zijn dossier over 'Leerzorg' voor kinderen en jongeren met beperkingen en leerstoornissen. Hoever staat het daarmee?
Smet: In een nieuwe consultatieronde heb ik twee stellingen voorgelegd. Ten eerste ben ik voorstander van inclusief onderwijs als dat in het belang van het kind is en als dat mogelijk is met redelijke aanpassingen in het gewone onderwijs. Ten tweede wil ik het buitengewoon onderwijs met zijn buitengewone leerkrachten in elk geval behouden. Over die twee stellingen bestaat een consensus. Ze moeten concreet gemaakt worden, ook om juridische betwistingen over individuele gevallen te vermijden. Een rechter moet niet beslissen of een kind thuishoort in het gewoon of buitengewoon onderwijs.
Ongeveer 15 procent van de jongeren verlaat het secundair onderwijs zonder diploma. Dat aandeel zou tegen 2020 gehalveerd moeten zijn, maar intussen blijft het stijgen.
Smet: Over de oorzaken wordt veel gespeculeerd: te vroege en verkeerde studiekeuzes; schoolloopbanen die in een waterval opschuiven van het algemeen secundair naar het technisch en beroepssecundair; kenmerken van kansarmoede die elkaar versterken; de impact van migratie enzovoort. Ik heb bijkomend onderzoek gevraagd om meer zicht te krijgen op dat fenomeen en om de doelstelling van 2020 te kunnen halen.
Is het punt niet dat het onderwijs de sociale verschillen niet afbouwt maar bestendigt, en dat het discours over gelijke onderwijskansen daardoor niet meer dan een fabeltje is?
Smet: Daar ben ik het niet mee eens. De eerste democratiseringsgolf in het onderwijs en de rol daarbij van de arbeidersbeweging hebben bewezen dat grote groepen in de samenleving so-ciale promotie kunnen maken. Waarom zou dat niet opnieuw kunnen? We moeten hoe dan ook alle talenten aanspreken om als Vlaamse samenleving in de wereld stand te houden. Tegelijk wil ik stringenter zijn tegenover mensen uit sociaal kwetsbare groepen. Ze moeten weten dat het menens is en zelf ook een inspanning leveren.
Een andere uitdaging is het groeiend lerarentekort. Hoe groot is dat probleem eigenlijk?
Smet: Als we niets doen, zal het snel ernstige vormen aannemen. Maar aan dat tekort zitten ook enkele merkwaardige kanten. Zo is 40 procent van de jonge leerkrachten gedwongen om deeltijds te werken. Ze staan elk jaar voor een zoektocht naar lesopdrachten. Op die manier hoeft het niet te verwonderen dat 30 procent binnen de vijf jaar afhaakt en elders werk zoekt. Andere pijnpunten zijn het imago van het lerarenberoep en het feit dat een lerarenopleiding voor veel jongeren een tweede studiekeuze is. Om die reden zou ik met de vakbonden graag een lerarenloopbaanpact voor de komende tien jaar sluiten. Daarin kan alles aan bod komen: de in- en uitstroom, het mentorschap, masters die ook in het basisonderwijs les mogen geven, een professioneler personeelsbeleid van de scholen die zowel met een zakelijk als met een pedagogisch directeur kunnen werken enzovoort.
Volgens de vakbonden zouden de meeste problemen snel van de baan zijn als Vlaanderen 7 procent van zijn bruto regionaal product voor onderwijs zou gebruiken. Het huidige onderwijsbudget van 9,3 miljard zou dan met meer dan de helft stijgen.
Smet: Ook de vakbonden weten dat de Vlaamse regering zuinig moet zijn. Toch stijgt het aandeel voor onderwijs in de Vlaamse begroting dit jaar voor het eerst sinds lang weer tot net geen 40 procent. Zoals mijn beleidsnota uitnodigt om samen grenzen te verleggen voor elk talent, durf ik aan iedereen in het onderwijs te vragen om met hetzelfde geld meer te doen.
DOOR PATRICK MARTENS
>> Dit artikel verscheen in Knack van woensdag 1 september 2010

Pascal
heet

lees meer